HET HUIS DAT TUSSEN ROZEN STOND Sanne & Erik Intro || D | D | D G~ || Als ik nu omkijk, naar mijn kinder[D~]tijd denk ik met [D~]heimwee aan die mooie [G~]tijd Weg zijn mijn [G~]dromen, want tussen [D~]bomen een tuin vol [D~]rozen, stond toen ons [G~]huis. Waar ik voor[Em~]heen die mooie treurwilg [Em~]vond, is nu een [G~]straat zodat het [Em~]huis dat tussen [Em~]rozen stond, niet meer be[G~]staa-[G~]aat. Ik nam toen [G]afscheid, maar met een [D]traan ik kon niet geloven, voor altijd te [G]gaan. Die dag verdwenen zij voorgoed uit mijn [D]leven ik hield me kranig maar was liever ge[G]bleven. Ze lachten en zeiden moet je daar nu om [D]treuren want daar in de stad kan je toch niets ge[G]beuren. Je vindt er [Em]alles wat je hier bij ons, nooit [G]zie-iet al wat de [Em]stad je straks te bieden heeft, vind je hier [G]niet. Toen ik die [G]dag in mijn leven be[D]gon liep ik verloren tussen steen en be[G]ton. Geen van mijn vrienden die dit ooit zou be[D]grijpen ze hadden geen reden om mij te be[G]nijden Geen van mijn vrienden die ik ooit uit kon [D]leggen wat ik ze al die tijd had willen [G]zeggen. Er komt een [Em]dag dat ik terug zal zijn, wie weet wan[G]nee-eer [F#>G] en op die [Em]dag neem ik de eerste trein, sta ik er [G]weer. De jaren ver[G]streken en nu sta ik hier [D]weer vergeefs nu op zoek naar mijn huis van wel[G]eer waar is nu alles, waar zijn mijn [D]bomen waar zijn mijn rozen, en waar zijn mijn [G]dromen Ik vind geen spoor van mijn vroegere [D]vrienden ik zoek naar mijn huis maar ik kan het niet [G]vinden waar ik voor[Em]heen die mooie treurwilg vond, is nu een [G]straa-aat [F#>G] Zodat het [Em]huis dat tussen rozen stond, niet meer be[G]staa-aat. Wie [G]zegt het mij, [Em]waar is het nu [G]wie weet, [Em]waar is het nu, waar [G]is mijn huis [Em]Wie weet, waar [G]is mijn huis, [Em]Wie weet, waar [G]is mijn huis [Em--]Wie weet, toe-oe, zeg het [G~]mij.